De historie van de Noorderbegraafplaats in Leeuwarden



Noorderbegraafplaats (Schapendijkje)
 
“Een bestendiging (..) van de algemene begraafplaats door daarnaast een ongeveer even groote aan te leggen komt de minderheid van de qemeenteraad voor zulk een grove fout tegen de natuurlijke ontwikkeling der gemeente te zijn, dat naar hare overtuiging het Leeuwarden van over 50 jaren zich zal afvragen wat toch wel de bestuurderen in 1916 tot deze daad kan hebben bewogen”. Hoe krachtig ook verwoord, niettemin vroegen Burgemeester en Wethouders op 25 februari 1916 aan de Raad om voorbij te gaan aan het minderheidsstandpunt en hen te machtigen om voorbereidingen te treffen tot zo’n uitbreiding van het begraafpark aan de Spanjaardslaan. Dit complex uit 1832/’33, aangelegd naar ontwerp van tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard, begon aardig vol te raken, waarover vanaf 1910 in het gemeentebestuur werd gediscussieerd.
Tijdens een gemeenteraadsvergadeing op 12 december 1916 lanceerden de leden Koopman en Fransen een eigen idee: de aanleg van een nieuwe algemene begraafplaats op landerijen aan het in 1901 besintelde Schapendijkje buiten de bebouwde kom ten noordwesten van de stad, nabij de Stienser Weg of Breede Dijk. Wat was er mooier? De grond behoorde voor het grootste gedeelte tot de gemeentelijke zathe en landen ‘De Magere Weide’! Bovendien stemde de Commissie voor Openbare Werken ermee in en, niet onbelangrijk, de Commissie voor het Uitbreidingsplan. Deze laatste commissie had het eerste uitbreidingsplan voor Leeuwarden op grond van de woningwet (1901) in voorbereiding. Men had er de Sneker architect G. Stapensea voor aangetrokken en die moest het plan tekenen in samenwerking met de directeur der Gemeentewerken, L.N. Holsboer.
Maar nee, het stadsbestuur hield vast aan het eerder genomen besluit; in maart 1917 meende zij ‘het voorstel Koopmans-Fransen ten stelligste (..) te moeten ontraden’ De Raad dacht daar anders over. Op 24 april 1917 werd het besluit van een jaar eerder opgeschort en kreeg de directeur der Gemeentewerken opdracht om een serieus onderzoek in te stellen naar de haalbaarheid van het nieuwe idee.
Een klein jaar later op 5 februari 1918, werden twee planvarianten in stemming gebracht. Het idee van de raadsleden was het niet helemaal geworden. Holsboer had gemeend dit om diverse redenen terzijde te moeten schuiven en had de begraafplaats verder van de Stienser Weg af geprojecteerd, wel aan het Schapendijkje maar westelijker. ‘Zelfs als de veldwinnende invloed der lijkverbranding buiten rekeninq gelaten wordt, is men voor de volgende 50 tot 70 jaren (..) geholpen'.
Op aanraden van de ingeschakelde Schoonheidscommissie stelden Burgemeester en Wethouders aan de Raad voor om te wachten met de oprichting van een hoofdgebouw met kapel en crematorium, te situeren middenin het terrein, evenals met de aanleg van het gedeelte eromheen.
Het advies van de commissie kwam goed uit, want er was eigenlijk geen geld voor die onderdelen. Hoezeer de financiële rek er bij de gemeente uit was, blijkt wel uit het feit dat ook de bouw van een entreepoort met flankerende dienstgebouwen eerst niet doorging. En dat terwijl al besparingen bereikt konden worden door de begraafplaats uit te voeren als een project ter bestrijding van de werkloosheid, niet vreemd trouwens voor de periode omstreeks de Eerste Wereldoorlog.
Weliswaar zou vooralsnog geen hoofdgebouw neergezet worden, de beoogde bestemming gaf toch aanleiding tot een principiele discussie over lijkverbranding. Daar bestond in 1918 nog geen wettelijke basis voor (die kwam er pas in 1955!). Wel was een proefproces uitgelokt door de lijkverbrandingen in het eerste crematorium van Nederland, in Velsen (Driehuis-Westerveld) vanaf 1914, waardoor de lijkverbranding gesanctioneerd werd. Maar verscheidene Leeuwarder raadsleden gaven blijk van grote afkeer. ‘Als de Voorzitter vooropstelt dat het beginsel van het crematorium een inteqreerend deel uitmaakt van het voorstel, zal spreker De Haan tegen stemmen. Lijkverbranding is, meent spreker, in strijd met de wet. Als er echter eene Regeering zou komen, die de lijkverbranding voorschrijft en het begraven verbiedt (..) dan zou dat voor spreker aanleiding zijn zich in het buitenland te laten begraven. Daar zal dan nog wel een plekje zijn, waar sprekers graf kan staan'. En Fransen, een van de raadsleden die het idee voor een begraafplaats aan het Schapendijkje had geopperd:’die zich willen laten verbranden kunnen zelf uit liefhebberij wel een verbrandingsoven oprichten’. Een crematorium is er in het geheel niet gekomen op de beqraafplaats en de openqehouden plek voor het hoofdgebouw is later benut voor de Erehof.
In 1919 kon de verkoop van graven aan het Schapendijkje beginnen en op 4 augustus van dat jaar had er de eerste teraardebestelling plaats, van een kind. Met een gerust hart kon architect Stapensea in zijn toelichting op het Uitbreidingsplan Leeuwarden uit juni 1918 schrijven: Een goede gelegenheid voor een flink park biedt de verqrooting van het Rengerspark, waarbij in de toekomst de algemeene begraafplaats kan worden getrokken, te samen een oppervlakte van ongeveer 13 H.A.
Wie de Noorderbegraafplaats ontworpen heeft, is moeilijk vast te stellen. Mogelijk is het de eerdergenoemde Holsboer geweest, die tot april 1919 de scepter over de Dienst Gemeentewerken heeft gezwaaid. Holsboers opvolger de eigenzinnige en met meer ontwerptalent beqiftigde L.H.E. van Hijlckama Vlieq, tekende in elk geval de ingangspartij van twee entreegebouwen en flankerende muren met poorten, die in 1923/’24 alsnog verrees.
Aan het Schapendijkje heerste niet langer de romaniek van de Engelse landschapsstijl zoals Roodbaard die in 1832/’33 toepaste aan de Spanjaardslaan of H. Copijn van Groenekan zelfs nog in 1905/’06 bij het aangrenzende Rengerspark. Hier ging de strakke en heldere aanpak van rechte paden en rechthoekige velden heersen, die eerder bij het zakelijke Nieuwe Bouwen past. Ofschoon in de loop der jaren aanpassingen in het orginele grondplan aangebracht zijn, is de essentie van het ontwerp overeind gebleven: een vierkant complex, in ongeveer gelijke kwadraten verdeeld door een brede, noord-zuid georienteerde hoofdas, een oprijlaan die haaks op het Schapendijkje staat en een smallere dwarsas. In het ontwerp waren op een aantal logische plekken vierkante ‘brandpunten’ gedacht, maar die zijn er nooit gekomen of nadien veranderd.
Ook de entreepartij is symmetrisch van opzet: in het midden een openslaand hek tussen muren met penanten en daarnaast twee identieke gebouwen, links een kantoor met een bovenwoning en rechts de oorspronkelijke aula met eveneens een bovenwoning. Behalve enig decoratief metselwerk ontvingen de van roodbruin gemêleerde baksteen opgetrokken muren tien tableau's in roodbakkende terrarotta. Deze waren besteld bij W.C. Brouwer te Leiderdorp, die bouwaardewerk door heel Nederland leverde. Ze dragen in Art Déco-trant gestileerde voorstellingen van een vrouwenhoofd met zichtbaar gelaat en een oudemannenhoofd met voor de ogen geslagen handen en van een brandende respectievelijk een qedoofde kaars in een schaal.
De qebouwen waren aanvankelijk ook in schoon metselwerk uitgevoerd, maar ze zijn later van een pleistering voorzien. Zeer opvallend zijn de samengestelde met rode Hollandse golfpannen qedekte schildkappen die een overstek van liefst een halve meter hebben, een karakterstiek die mogelijke invloed van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright verraadt. Binnen in de panden zijn nog originele betimmeringen, kastenwanden en dergelijke aan te treffen. De woningen waren bestemd voor doodgravers.
Gedurende de laatste halve eeuw vonden enkele grote veranderingen plaats. In 1952 is de begraafplaats fors uitgebreid. In 1985 is de islamitische begraafplaats totstandgekomen. Het belangrijkste verschil met de rest van de begraafplaats is de ligging van de graven in de richting van Mekka en de overkapte opbaartafel. Ook is het gebruikelijk dat islamieten zonder kist worden begraven. Enkele jaren geleden is een speciale kinderafdeling aangelegd.
Het is in dit kader ondoenlijk om op individuele graven in te gaan. Duidelijk mag zijn dat vele duizenden, bekende en minder bekende, Leeuwarders een laatste rustplaats hebben gevonden op de Noorderbegraafplaats. Een aparte vermelding verdienen in ieder geval de tijdens ’40-’45 gesneuvelde militairen en andere oorloqsslachtoffers. De Erehof voor gevallenen uit de Tweede Wereldoorlog is onlanqs gerestaureerd. Ook een van de meest bijzondere grafmonumenten herinnert aan een oorlogsdrama. Het beeld van een treurende vrouw is geplaatst op het graf van Johanna Wilhelmina te Winkel en haar zoontje Hans, beiden slachtoffer van afgedwaalde bommen op de Julianastraat in 1942.  
Bron: 'Hier wordt U, voor gij sterft, een lusthof aangeboden' Begraven en begraafplaatsen.
Uitgave i.v.m. de Open Monumenten Dag op 11 september 1999.



Linkpartners
Ga naar de website van Waldnet.nl


Mailform